Fiscaalconsult Fiscaal Consult

Van dividendbelasting naar bronbelasting op dividend, rente en royalty’s

Actie voor 1 januari 2020!

 

Wanneer komt de bronbelasting in beeld?

De nieuwe bronbelasting wordt met ingang van 1 januari 2020 geheven over dividendbetalingen én deels over directe of indirecte vermogenswinsten op aandelen. De heffing treedt op (met ingang van 1 januari 2020) in situaties waarin de ontvangende vennootschap in een ‘laagbelastende’ en/of op een zwarte lijst geplaatste staat gevestigd is. Verder is de bronbelasting alleen van toepassing als de opbrengstgerechtigde en de betalende vennootschappen ‘gelieerd’ zijn. Langs dezelfde lijnen zal over betalingen van rente en royalty’s bronbelasting geheven worden, naar verwachting vanaf 2021. Het tarief is gelijk aan het hoogste in de vennootschapsbelasting (vanaf 2020 dus 22,25%). Om deze heffing te voorkomen kan het nodig zijn de opzet en financieringsstructuur van uw groep te wijzigen. De wet Bronbelasting 2020 is een apart onderdeel van de Prinsjesdag voorstellen en kan (in theorie) nog veranderen bij behandeling in de Tweede Kamer of geheel afgewezen worden bij behandeling in de Eerste Kamer. Over de precieze vormgeving van de zogeheten zwarte lijst loopt inmiddels een internetconsultatie.

Hoe voorkomt u de bronbelasting?

Wat kunt u (in 2018 of 2019) doen om te voorkomen dat uw dividendbetalingen straks door de bronbelasting getroffen worden? De eerste vraag is uiteraard: valt de Nederlandse vennootschap er, nu of in de voorzienbare toekomst, onder? Waar zitten uw aandeelhouders en welk belastingstelsel geldt daar? Zijn het personen, vennootschappen of andere entiteiten? Hebben ze alleen of samen ‘bepalende invloed’ en hebben ze recht op voordelen van een verdrag? En is er eigenlijk winst? De tweede vraag is: wat kunt u doen om de situatie te verbeteren? Soms kan de aandeelhoudersstructuur veranderd worden, bijvoorbeeld door extra aandeelhouders toe te laten treden, door een nieuwe houdstermaatschappij in de juiste staat ‘tussen te schuiven’, of juist door een bestaande tussenholding weg te halen.

Tussenschuiven of verwijderen van een houdster / anti-misbruikwetgeving

Een simpele oplossing om bronbelastingheffing te vermijden lijkt te zijn om (tijdig) tussen de uitkerende vennootschap en de aandeelhouder(s) in de EU of een verdragsland gevestigde houdstervennootschap te plaatsen. Je kunt dan denken aan Ierland, Zwitserland, of misschien Singapore. Op deze manier zou de ontvangende vennootschap normaal gesproken niet langer in een ‘laagbelastende’ of ‘zwarte lijst’-jurisdictie zitten. Probleem opgelost? Niet altijd, want het instrumentarium van de wet bronbelasting lijkt in dit opzicht op de huidige misbruiktoets van de aanmerkelijk belangregeling in de wet Vpb (artikel  17 lid 3 sub b Vpb). De directe aandeelhouder krijgt alsnog met bronbelasting te maken als het tussenschuiven (mede) als (subjectief) hoofddoel heeft de bronbelasting te frustreren én de tussenhoudster (objectief) als kunstmatige constructie geldt. Voor het bepalen van het hoofddoel geldt kortweg de ‘doorkijktoets’, ook wel ‘wegdenktoets’: zou zonder de tussenhoudster bronbelasting worden geheven? Zo ja, dan ligt een misbruik-oogmerk voor de hand. Voor de kunstmatige constructie is de kernvraag of ergens boven in de keten een ondernemingsactiviteit (i.t.t. beleggen) vindbaar is die ook tot uitdrukking komt in de ‘substance’ van de tussenhoudster (kantoorruimte, geschoold en betaald personeel, bestuurders van binnen de groep). Het voorstel hanteert substance eisen die voor EU-aandeelhouders iets milder zijn dan voor niet-EU aandeelhouders.

Een andere mogelijkheid is juist houdsterrelaties te verwijderen en zo een directe aandeelhoudersrelatie met een achterliggende persoon of entiteit in een ‘goede’ staat te creëren.

Voorbeeld voorkoming bronbelasting

Een Nederlandse vennootschap heeft een 100% aandeelhouder

mr. Rinze van Minnen LL.M


mr. Rinze van Minnen LL.M