Hoge Raad corrigeert eigenhandig box 3-heffing op basis van werkelijke behaald rendement in 2017 en 2018

Check cliƫnten die (te) weinig rendement maken in box 3 en teken tijdig bezwaar aan
De box 3-heffing in de inkomstenbelasting is vanaf 2017 in strijd met het ongestoord genot van eigendom en het discriminatieverbod in het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), aldus de Hoge Raad op 24 december 2021.
24 dec 2021 Laatst gewijzigd: 18 jan 2022 Jurisprudentie mr. drs. Michiel Opgenoort

De regeling in box 3 houdt kort gezegd in dat, afhankelijk van de omvang van het vermogen, verondersteld wordt dat een deel van dat vermogen gespaard en een deel belegd wordt (de zogenoemde ‘vermogensmix’). Voor beide vermogenselementen is in de Wet Inkomstenbelasting vastgelegd welk rendement men geacht wordt daarmee te behalen (het forfait). Daarbij wordt geen rekening gehouden met de werkelijke keuze van belastingplichtigen of het daadwerkelijke rendement. De Hoge Raad ziet zich genoodzaakt om adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van fundamentele rechten, aldus het arrest van 24 december 2021, ECLI:NL:2021:1963. Vaststaat welk rendement de belanghebbende in deze zaak werkelijk heeft behaald. Dit is lager dan het op basis van de wet veronderstelde rendement. Daarom biedt de Hoge Raad rechtsherstel aan deze belastingplichtige door alleen over dat werkelijke rendement belasting te heffen.

De wijziging in box 3-wetgeving in 2017

Tot en met het jaar 2016 werd in box 3 belasting geheven over een vast rendement van 4 procent. Met dit percentage zocht de wetgever aansluiting bij rendementen die in de praktijk, over een langere periode bezien, gemiddeld zonder veel risico moeten kunnen worden behaald. Sinds 2017 heeft de wetgever de grondslag van het risico-arme rendement verlaten en in plaats daarvan aansluiting gezocht bij een gemiddelde verdeling van het vermogen en bij de rendementen die in voorgaande jaren gemiddeld zijn behaald op die vermogensonderdelen. Daarbij wordt, afhankelijk van de omvang van het vermogen, verondersteld dat een deel van het vermogen gespaard wordt en een deel belegd wordt (de zogenoemde ‘vermogensmix’). Belastingplichtigen worden dan ook niet aangeslagen op basis van de werkelijke verdeling van hun vermogen over spaargeld en andere beleggingen. Die verdeling, de ‘vermogensmix’, wordt in de wettelijke regeling gefingeerd. Wie een klein vermogen heeft, wordt verondersteld dat voor tweederde gedeelte in spaargeld te beleggen en voor een derde in overig vermogen; wanneer het vermogen groter is (tweede schijf), veronderstelt de wetgever dat het spaardeel nog maar 21 procent uitmaakt, en in de ‘derde schijf’ (vermogen boven de € 1 miljoen) wordt verondersteld 0 procent spaargeld voor te komen.

De inhoud van de procedure

De zaak die in cassatie aan de Hoge Raad is voorgelegd is een van de zaken die wordt uitgeprocedeerd in een zogenoemde massaal-bezwaarprocedure. In die procedure is de vraag aan de orde of de vermogensrendementsheffing in box 3 van de inkomstenbelasting voor de jaren 2017 en 2018 in strijd is met het recht op eigendom en het verbod op discriminatie. Het vermogen van belanghebbende en zijn echtgenote van in totaal ongeveer € 1 miljoen bestond voor circa 80 procent uit spaartegoeden met lage rente. Op basis van het forfaitaire stelsel wordt belanghebbende echter geacht 21 procent van zijn vermogen als spaartegoeden aan te houden en de rest van zijn vermogen te beleggen tegen een hoger rendement. Het gevolg hiervan is dat belanghebbende over veel hogere opbrengsten belasting moest betalen dan hij in werkelijkheid had genoten.

Advocaat-generaal Niessen heeft op 1 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1019, de Hoge Raad geadviseerd om de vermogensmix buiten toepassing te laten in verband met strijdigheid met het recht op ongestoord genot van eigendom en het verbod op discriminatie.

Hoge Raad oordeelt op 24 december 2021 …

Op 24 december 2021 oordeelt de Hoge Raad (ECLI:NL:NL:HR:2021:1963), dat het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel verder af is komen te staan van een heffing over het inkomen waarvan kan worden aangenomen dat een individuele belastingplichtige dat daadwerkelijk heeft genoten, terwijl de wetgever dit wel heeft beoogd. Het nieuwe stelsel perkt de door het EVRM gegarandeerde recht om vrij te beschikken over eigendom in, doordat het een verhoudingsgewijs zware financiële last verbindt aan de keuze om niet over te gaan tot het risicovol beleggen van vermogen. Ook is het discriminerend doordat degenen die pech hebben gehad met hun risicovolle beleggingen relatief zwaar worden belast. Naar het oordeel van de Hoge Raad is er geen redelijke verhouding tussen de belangen die de wetgever heeft willen dienen met het forfaitaire stelsel (uitvoerbaarheid, realiteit en opbrengst) en de ongelijkheid die met het stelsel wordt veroorzaakt. De Hoge Raad ziet zich genoodzaakt om belanghebbende adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van zijn fundamentele rechten. In deze zaak staat vast welk rendement de belanghebbende werkelijk heeft behaald. Dit is lager dan het op basis van de wet veronderstelde rendement. Daarom biedt de Hoge Raad rechtsherstel aan deze belanghebbende door voor de jaren 2017 en 2018 alleen dat werkelijke rendement in de heffing te betrekken.

Gevolgen voor de massaal bezwaarprocedure

Het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 heeft tot gevolg dat de Belastingdienst nu kan beslissen op alle bezwaarschriften die zijn ingediend in de zaken die door de Staatssecretaris van Financiën zijn aangemerkt als massaal bezwaar.

Wat betekent dit voor uw cliënten met vermogen in box 3?

Geadviseerd wordt om een inventarisatie te maken van die cliënten die vanaf 2017 in box 3 belasting zijn verschuldigd. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of het daadwerkelijk behaalde rendement in een bepaald jaar voor die cliënten lager is geweest dan het forfaitair rendement waar de Belastingdienst vanuit is gegaan.

Voor zover de aanslagen voor bepaalde jaren vanaf 2017 al vaststaan, kan om ambtshalve vermindering worden verzocht (als de bezwaartermijn is verlopen). Daarvoor staat een formele procedure open op grond van artikel 9.6 Wet Inkomstenbelasting juncto artikel 45aa Uitv. Reg. IB 2001. Echter, de Minister van Financiën moet dan wel de Belastingdienst opdragen om ook daadwerkelijk die vermindering te verlenen. De keuze om dit te doen is aan de Minister en de vraag is of dit ook gaat gebeuren.

Voor aanslagen inkomstenbelasting waarvan de bezwaartermijn nog niet is verlopen is het raadzaam binnen de zeswekentermijn bezwaar aan te tekenen. Dat biedt namelijk een betere rechtsbescherming dan de procedure van ambtshalve vermindering.

Informeer uw cliënten in ieder geval op tijd.

Auteur

Opgenoort_Michiel_foto.jpg

mr. drs. Michiel Opgenoort

Fiscaalconsult / Opgenoort Belastingadvies
Leiden
Specialisme(n): Bedrijfsopvolging, rechtsvormkeuze, onroerende zaken, geschillen met Belastingdienst
Profiel
Neem contact op voor een gratis consult
Fiscaalconsult

Fiscaalconsult is het kenniscentrum en online adviesplatform voor financiële of juridische dienstverleners, als ook controllers van ondernemingen die op zoek zijn naar fiscale expertise.

Fiscaalconsult
Kanaalpark 157
2321 JW Leiden

Volg ons op

 
Fiscaal nieuws ontvangen?

Fiscaal nieuws ontvangen?

Ja, stuur mij de nieuwsbrief met fiscale updates en ontwikkelingen. Gegevensverwerking en verzending overeenkomstig de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). U ontvangt maximaal 1 nieuwsbrief per week.

Controleer nu uw mailbox

U ontvangt een bericht met instructies om uw e-mailadres te bevestigen.

Fiscaalconsult © 2021. Fiscaalconsult is een onderdeel van Opgenoort Holding BV. Alle rechten voorbehouden. Privacybeleid en disclaimer

Calabi
1
0
1